Oud geheim over toekomst m / v kerk wordt nu onthuld

Vrouwen met mannen aan het werk in de kerk

Verbindende inspiratie

Het lijkt alsof we als Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) onze identiteit aan het verliezen zijn.

Nog geen tien jaar geleden reageerden we absoluut afwijzend op het idee dat vrouwen in kerkelijke ambten kunnen dienen. Volgens ons gaf de Bijbel daarvoor gewoon geen ruimte. Sinds juni dit jaar is die ruimte er wel, volgens ons. En met ‘ons’ bedoel ik dat onze generale synode zwart op wit een besluit heeft genomen. Het mag als jij vindt dat het mag. En als je dat niet vindt mag dat ook.

Wat gebeurt er met ons? En hoe is het zover met ons gekomen? Hebben we nu niet iets wezenlijks van onszelf opgegeven?

Ik geloof er niks van.

Voor mij zijn we dezelfde kerken gebleven die we waren. Juist door de onrust die we nu meemaken blijken we voluit een gemeenschap die in de traditie van de Reformatie staat.

Het Woord van God laten we staan. We blijven helemaal achter onze gereformeerde belijdenis staan.

We gaan niet voor een andere uitleg van de Bijbel.

Wat er gebeurt heeft te maken met een andere uitleg van onszelf en hoe wij op basis daarvan andere keuzes maken.

Mijn verhaal wil een pleidooi zijn om eerlijk naar onszelf te kijken. Onze eigen keuzes in maatschappelijk en kerkelijk gedrag serieus te nemen. Ik wil helpen om in verlies en verdriet om wat we nu kwijt zijn nieuwe inspiratie te vinden voor kerkelijk samenleven. Die inspiratie wordt onder ons nog altijd goed bewaard in een oud geheim.

Om bij verbindende inspiratie uit te komen, wil ik zeven stappen zetten.

inspiratie

Ik geef in cursief een korte schets voor als je weinig tijd en / of geduld hebt. Wil je met mij meedenken neem dan de lange route van 10 A-viertjes.

1. Luther ervaring

Luther ontdekte dat de voor hem ongemakkelijke Bijbeltekst kon blijven staan, maar dat hij zelf de boodschap anders mocht ontvangen. Misschien kan dat ons helpen in onze bezinning op voor ons lastige teksten.

2. Bijbelse geboden anders

aan de hand van 7 voorbeelden wordt duidelijk dat we voorschriften uit de apostolische tijd niet meer naleven. Waarom zou dat bij het voorschrift over het zwijgen van vrouwen dan anders moeten?

3. Mannen volgen de maatschappij

In het zorgen voor de kerk hebben mannen de leiding aan zich getrokken en het voorbeeld van maatschappelijke verhoudingen gevolgd. Dat biedt kansen nu mannen met de moderne verhoudingen meegroeien in andere rolpatronen.

4. Vrouwen leren zorgen voor zichzelf

Doordat ze in de kerk niet serieus genomen werden, gingen vrouwen zorgen voor elkaar. Dat kan nu resulteren in vrouwen als partners in alle vormen van zorg binnen de kerk.

5. Omdenken

Paulus leert ons opnieuw het lied zingen over Christus in elkaar herkennen.

6. Met God naar man – vrouw – meer

Van Vader Zoon en Geest leren we liefde spiegelen naar een nieuwe generatie.

7. Het oude geheim over de toekomst wordt vandaag onthuld

In het mysterie van het huwelijk met Christus schuilt inspiratie voor ons dienen

1.      Luther ervaring

In zijn Vaste Burcht zingt Luther “Das Wort sie sollen lassen stahn, und nichts dabei bedenken”.

Hierin heeft hij de kern van zijn overtuiging verwoord.

Luther is groot geworden met groot respect voor de Bijbeltekst. Hij heeft die in het Hebreeuws en Grieks leren lezen. Later heeft hij een compleet nieuwe vertaling gemaakt.

Voor hij daaraan toe was moest hij door een diep dal voor hij echt begreep waar het om ging.

Luther gaf als jong hoogleraar colleges over de Romeinen brief. Maar persoonlijk zat hij met een probleem. In het begin van de brief las hij de kernzin: “Gods gerechtigheid wordt geopenbaard uit geloof tot geloof” Hij kon het niet lezen zonder er telkens bang van te worden: “Ik moet door goed te geloven zo rechtvaardig worden dat God me accepteert! Dat kan ik niet, en dus komt het nooit goed met mij!” Luther hij begreep het niet, hij wist wel dat hij bang was.

Tot het moment dat zijn angst omsloeg in vertrouwen. “God eist niet, hij geeft! ’t Is niet dat God in zijn gerechtigheid van mij opeist te worden wat ik nooit zal kunnen! ’t Is juist dat God mij in Christus voor rechtvaardig wil houden. Hij laat me ruilen met zijn Zoon. In die genadige ruil hoef ik alleen maar geloven!”

Later kon Luther zeggen dat hij zichzelf eerst niet begreep en er pas later woorden aan kon geven. Wat er met hem gebeurde is dat hij de Bijbel anders ging begrijpen. Het Woord bleef staan. De tekst van Romeinen 1: 17 over Gods gerechtigheid veranderde niet. Luther was zelf veranderd. Daarmee werd de beweging van de grote reformatie ingezet.

Mijn vraag is nu: kan het zijn dat zoiets ons opnieuw overkomt? Kunnen we ontdekken dat we het Woord gewoon aan het woord laten en onszelf vrolijk laten verrassen?

Ik hoop het en ik bid er om.

2.      Bijbelse geboden anders

In dit onderdeel ga ik voorschriften langs in het Nieuwe Testament. Ik kies een aantal die gaan over ons bedoelde gedrag in de gemeente en in ons persoonlijk geloofsleven. Wat ik merk is dat we gewend zijn om veel voorschriften gewoon niet toe te passen, en dat we daar helemaal vrede mee hebben. Voor mij doet het vreemd aan om bij de voorschriften over het zwijgen van vrouwen anders te reageren. Mijn stelling is dat we onszelf eerlijk in de spiegel kunnen kijken ook als we het nu anders doen.

Dit is een wat langer gedeelte Als je snel door wilt naar het vervolg kun je dit eerst overslaan. Mijn conclusie heb je alvast gelezen.

Wat we doen met Mozaïsche gebruiken

“Wij geloven dat (..) de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan (..) Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer” Wat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis hier in artikel 25 zegt (sinds 1561) is ons bij onze omgang met de Bijbel vertrouwd. We leven niet meer onder het Oude Verbond. In het Nieuwe Testament worden al die Mozaïsche gebruiken niet meer van ons gevraagd, geen besnijdenis en dierenoffers en tempeldienst en zo. Wel vreemd, dat we de neiging hebben om de klok terug te zetten.

Voorschriften uit de apostolische tijd

Opmerkelijk is de uitzondering die de kerkvergadering in Jeruzalem (halverwege de eerste eeuw) maakt. Lucas vertelt ons Handelingen 15 van scherpe discussies. De Joodse christenen moesten dealen met het gegeven dat vele niet-joden in allerlei landen tot geloof in Jezus kwamen. De vraag was of ze die nu moesten inwijden in het Joodse leven of niet. De kernvraag was of gemeenten van onze Heer een Joodse identiteit moesten krijgen of niet. Jacobus spreekt het verlossende woord en eindigt:

19Daarom ben ik van mening dat we de heidenen die zich tot God bekeren geen al te zware lasten moeten opleggen, 20maar dat we hun moeten schrijven dat ze zich dienen te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf. 21In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.” Geen Mozaïsche gebruiken dus, op 4 uitzonderingen na. Wat doen wij met die voorschriften?

Over ‘het bezoedelde’ maken we ons niet druk. Geen ervaring meer met afgodendienst. Ontucht lijkt ons duidelijk: dat mag natuurlijk niet. Vlees komt normaal gesproken bij ons pas in de verkoop als na het slachten alle bloed is uitgelekt. Maar het bloed zelf? Bloedworst, tongenworst? Als ik het aan een paar ouderen in de gemeente vraag, vertellen ze hoe lekker ze dat vonden! In ons voedingspatroon trekken we ons gewoon niks aan van wat in Jeruzalem ooit werd voorgeschreven. En we hebben er onze verontschuldigingen voor. Dat was alleen in die tijd, toen de christenen veel meer te maken hadden met hun afkomst uit het jodendom. Maar voor ons ligt dat anders. Dat Jehova’s-Getuigen om deze reden geen bloedworst willen eten, vinden wij onzin.

Met andere voorschriften gaan we vergelijkbaar om. Bijvoorbeeld de verhouding van huwbare dochters tot hun vaders. 1 Korintiërs 7: “38Wie dus zijn jongedochter uithuwelijkt, doet wèl, en wie haar niet uithuwelijkt, doet beter.” NBG 1951. Opmerkelijk hoe dit in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2004 veranderd is in de verhouding van een man tot zijn aanstaande vrouw. “37Iemand echter die uit overtuiging, dus zonder dwang en uit vrije wil, voor zichzelf besloten heeft niet met haar te trouwen, handelt uitstekend. 38Dus iemand die met haar trouwt handelt goed, maar iemand die niet met haar trouwt handelt beter.” De Griekse tekst is hetzelfde gebleven, maar de vertaling is veranderd omdat ons lezen is veranderd. Misschien beter gezegd: ons gedrag is veranderd. Vaders gaan niet (meer) over de keus die dochters voor levenspartners maken. Dus verandert in de nieuwe vertaling ‘vader – dochter’ naar ‘man – verloofde’. Maar hoe acceptabel vinden wij het als een man zijn verloving uitmaakt met het excuus dat hij in de lijn van Paulus’ voorschrift wil handelen?

Het sabbatgebod is een Mozaïsch voorschrift dat we ook op onze eigen manier naleven. Zondag aan zondag horen we als christenen dat we de zaterdag moeten rusten. Al vele eeuwen beluisteren we dit met ons eigen filter: “dit gebod gaat voor ons over de zondag”. Althans, zo ging het tot in de vorige eeuw. Totdat ons gedrag op zondag veranderde. We deden mee met volcontinue werktijden, we gingen reizen, en het kwam tot uitdunning van het kerkbezoek. Binnen onze kerkgemeenschap leidde dit tot heftige discussies over toegestaan en laakbaar gedrag op zondag. Uiteindelijk kwam een synode in 2002 met een ‘pastorale handreiking’ – “Zondag: H(h)eerlijke dag!”. Vol met voorschriften in de vorm van kerkelijke afspraken en geestelijke adviezen. Niet dat het iets aan de praktijk heeft veranderd. Integendeel. De nieuwe kerkorde van 2014 heeft zelfs het oude voorschrift van twee kerkdiensten vervangen door ‘in de regel’. Weinig kerkenraden die nog tucht zetten op het wegblijven. Meerdere die ook de middagdienst laten vallen. Kerkleden maken hun eigen keuzes. Wij zijn veranderd en begrijpen de voorschriften anders.

Over gebedshouding heeft de Bijbel ook een mening. Paulus schrijft aan biddende mannen voor te bidden met “opheffing van heilige handen” (1 Tim 2). Ze waren daarbij gewend met open ogen naar boven te kijken. Wij doen dat zo niet. ‘Eerbiedig!’ betekent voor ons ‘handen vouwen en ogen dicht’. Dat slijt ook uit. Handen in de zakken en de muts nog op mag eventueel ook wel. Maakt niet uit, toch?

Van de eerste gemeenten lezen we dat ze bij intens bidden ook gingen vasten (Hand 13, 2). Dat is voor ons geen voorbeeldgedrag. Als sommigen daar iets aan willen doen, moeten ze dat zelf weten. Al was het alleen maar 40 dagen geen Facebook. Maar je kunt dat niet met geestelijke aandrang opleggen. Vinden wij. Niet iets om ons verder druk over te maken.

Paulus voorschrift over de hoofdbedekking van man en vrouw. 1 Korintiërs 11;” 14Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt, 15terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofdbedekking te dragen. 16Iemand die meent zo eigenzinnig te moeten zijn af te wijken van wat ik zeg, dient te bedenken dat wij noch de gemeenten van God een ander gebruik kennen.” Paulus is er nogal stellig in. Maar de mode van de 17e eeuw leerde anders, ook voor gereformeerden. Om van de pruikentijd in de 18e eeuw maar niet te spreken.

predikant met pruik

En wij vinden er nog weer iets anders van. Een GKv hoogleraar, die het voor de blijvende geldigheid opneemt, doet daarin mee. Het gaat volgens hem niet om de haarlengte, maar om de hoofdbedekking. Sterker nog: het gaat er uiteindelijk om dat tot in kleding en haardracht niet sprake is van het uitwissen van het verschil tussen man en vrouw. Dat is zijn uitleg. Hij verklaart dat vanuit de culturele achtergrond in Paulus’ dagen. De tekst blijft staan, maar vanuit ons veranderde gedrag maken wij een eigen toepassing. Overigens: niemand in onze kerken die hardop iets vindt van kleding in de kerkdiensten. Misschien nog wel iets van netjes, op z’n zondags. Maar voor velen vooral gewoon, casual en relaxed, met de mode mee, en hooguit met grenzen van niet te uitdagend. Die gebruiken maken we zelf. Wat Paulus daar ooit van vond, gaat ons niet meer aan.

Een stap naar vrouwen in de gemeente, en dan eerst de weduwen (1 Tim 5). Zoals Paulus hun inzet beschrijft en daar voorwaarden aan verbindt is ons vreemd. Wij kennen de weduwenstand als dienende groep niet eens meer. Op gevorderde leeftijd zijn ook bij ons vrouwen nog steeds in de meerderheid ten opzichte van de mannen, maar Paulus’ voorschrift is een dode letter geworden. Herhaalde pogingen om diaconessen (van de vroege Reformatie tijd) terug in het leven roepen zijn tot nu toe op niets uitgelopen. De Bijbel geeft voorschriften. Wij kunnen er weinig of niets meer mee.

Dan de voorschriften voor en over de slaven (Efeziërs 6 e.a.). Die zijn er niet meer onder ons. Dat is gelukkig verleden tijd. Intussen was Nederland wel één van de laatste naties die de handel in slaven verbood. Nee, natuurlijk kun je onze arbeidsverhoudingen niet laten inkleuren door wat Paulus over de verhouding tussen heren en slaven zegt. Nou ja,.. Je personeel niet bedreigen, OK, en je werk doen als voor onze Heer misschien ook nog. Maar de kern van gezag en gehoorzaamheid tussen slaaf en heer past niet bij ons denken in een arbeidscontract en Arbo regelingen. Bazen met machtsmisbruik zijn er nog steeds, loonslavernij ook. Maar daar kunnen we inspraak en rechtsmiddelen tegenover zetten. We lezen Paulus en maken onze eigen culturele vertaling.

Dat begrijpt iedereen.

De klok terugzetten

Maar als het gaat om vrouwen, die moeten zwijgen (1 Tim 2 en 1 Kor 14), weten we opeens dat dat nog helemaal geldig is. Helemaal? Nou, Paulus bedoelt vast alleen de kerkdiensten en kerkenraadskamers, maken we er van. Maar zijn zwijgvoorschrift gaat natuurlijk niet over gemeentevergaderingen, over bondsdagen, over Bijbelstudies, over kooruitvoeringen, over schoolonderwijs, over leiding geven in de zorg, en zitting hebben in besturen en kerkelijke deputaatschappen, zelfs niet over onderwijs geven aan predikanten en theologisch studenten, toerusting en coaching aan kerkenraden. Overal worden vrouwen toegelaten, hebben ze spreekrecht, nemen ze deel aan besluitvorming, onderwijs, geven ze leiding geven aan….

Ik hoor dit ‘tijdens de kerkdienst’ niet in wat Paulus schrijft. Hij heeft het over ‘elke plaats’ en ‘samenkomst’. Ik begrijp wel iets van het samen zijn. Dat ging anders dan nu. En Paulus zal het vast heel goed gepeild, bedoeld en voorgeschreven hebben. Om vrouwen tot hun recht te laten komen in hun verhouding tot mannen. Hoe kan ik niet meer achterhalen. Het plaatje van de culturele achtergrond heb ik niet. Maar voor velen onder ons was en is het voorschrift duidelijk: “de Bijbel verbiedt vrouwen het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst. De Bijbel bevat een verbod voor vrouwen om leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst en zo gezag te oefenen over de man.” De broers en zussen, die dit soort uitspraken van hun kerkenraad thuisbezorgd krijgen, accepteren buiten kerkdiensten om al dat leidinggevend onderwijs dat vrouwen onder andere ook aan mannen geven. De kerkenraadsleden zelf ook.

In welke rollen zijn we gewend te denken? Heeft dat nog enige betekenis en of relatie met de werkelijkheid? Wij zijn veranderd. Maar lange tijd hebben we het niet willen weten. We voelden ons verplicht een kerkelijke traditie te bevestigen. We leefden en leven er zelf niet meer naar. Thuis niet en 6 à 7 dagen op de week niet. Maar in de twee keer anderhalf uur die we ‘ambtelijke kerkdienst’ noemen proberen we iets anders in stand te houden. Daar maak ik mij druk over. Een opvoering van de Kleren van de Keizer. Maar elk kind dat een beetje leert rondkijken en meedenken in gezin, familie en kerk krijgt door dat het zo niet werkt. Deze traditie is niet uit te leggen.

klok terug

De enige uitleg die ik ervoor kan bedenken is onze neiging om de klok terug te draaien naar de tijd van het Oude Verbond. De verering van God kreeg vorm door heilige handelingen van heilige mannen op heilige plaatsen en op heilige tijden. De eerste generatie christenen van allerlei afkomst mocht nieuwe manieren vinden. Maar binnen de kortste keren kreeg je ze terug: de bijzondere mannen, de speciale plekken, de gewijde handelingen die op gezette tijden moesten worden verricht. Het katholicisme heeft die manieren te vuur en te zwaard verdedigd. Geweld komt er onder ons gelukkig niet aan te pas, maar de intimidatie van de ‘old time religion’ is voor mij nog steeds voelbaar. Kerkdiensten op zondag als de sabbatviering, alleen mannenpriesters als voorgangers, en de heilige handelingen mogen alleen door deze priesters in het ‘huis van God’ als heilige plaats bediend worden. Alles veilig en vertrouwd. En dat mag dus vooral niet veranderen.

3.      Mannen volgen de maatschappij

Wat gebeurt er met ons? In dit gedeelte wil ik in de spiegel kijken van onze eigen geschiedenis. Wie waren we en hoe zijn we geworden tot wie we nu zijn? Ik kijk naar ons mannen, daarna kijk ik naar de vrouwen en daarbij volg ik trends in onze cultuur. Dit gedeelte dient als voorbereiding op het volgende onderdeel over de kracht van Christus’ kerk zich aan te passen.

Het moet iets heel bijzonders zijn geweest, stel ik me voor, om als man deel uit te maken van de eerste groep leerlingen. Ik doel nu op de 120 die na Jezus’ vertrek naar de hemel samen kwamen in het hun bekende bovenvertrek. Tot op de dag van z’n vertrek had de Heer zelf leiding aan hen gegeven. Hoe zou dat nu verder gaan? Op een gegeven moment begint Petrus over de opengevallen plek in de rij van 12 en hij stelt voor dat één uit degenen die er vanaf het begin bij waren wordt gekozen. Ze hebben dus keus uit meer. Dat betekent dat het zomaar kan gebeuren dat de keus op jou valt! Denk je in: toetreden tot de kring van de 12 apostelen! Aan welke voorwaarden moet je voldoen? Hoe gaan de anderen jou beoordelen? Ze stellen er twee voor en dan valt de beslissing door loting. Met gebed tot “u die de harten kent”. De gemeente beseft dat het elkaar kennen en waarderen begrensd is: God alleen kent de echte kwaliteiten.

Iets dergelijks kom ik tegen bij de explosieve uitgroei van de gemeente in Handelingen 6, als de apostelen merken dat ze ogen en handen tekort komen. Ze zoeken naar uitbreiding van medewerkers. Daarbij schakelen ze alle leden van de gemeente in: “Kies daarom uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de heilige Geest”. Ik zie daarin meer wonderen gebeuren. De leiders erkennen hun eigen grenzen, eerst in het zorgen voor en dan ook in het kennen van de gemeente. Ze hebben de andere mensen nodig, en ze geven vertrouwen dat gemeenteleden in staat zijn om te beoordelen wie wijs zijn en goed bekend staan en vervuld van de Heilige Geest! Moet je nagaan! En stel je dan de verrassing voor dat de positieve beoordeling bij jou uitkomt! Wat doet het met jou als je dat mag ontvangen?

Dat zie ik als een prachtige ontwikkeling voor en van christen mannen.

Ik vraag me al lezend af hoe dat nu gaat met ons. Hoe vinden wij onder ons de geschikte mannen?

Bij het maken van afwegingen worden vaak de voorschriften gelezen in 1 Timotheüs 3 en Titus 1. Over de geschikte kenmerken is Paulus duidelijk: sober, bezonnen, gematigd, gastvrij, goede leraar, en thuis ook positief in zijn gezin, zelfs buiten de gemeente een goede reputatie.

Met een zucht van verlangen en van onmacht heb ik dat vaak horen voorlezen en zelf voorgelezen.

Verlangen: wat mooi als je daarmee aan het werk wordt gezet als gemeente: er zijn kennelijk christen mannen voorradig en de leiding geeft vertrouwen dat jij het kunt herkennen en benoemen en aanwijzen. Dan leeft er iets tussen ons als christenen.

Onmacht: want hoe gaat het vaak. Je kunt vragen in onze samenkomst: ‘Wie heeft het hier te warm, wie voelt het tochten?’ en dan heeft iedereen al snel een oordeel klaar. Daar hebben we allemaal verstand van, of we denken het tenminste.

Maar hoe is het onze mening over wijsheid, en goed bekend staan, en vol van de Geest, enzovoort? Als er dan de gebruikelijke grote stilte valt, is er iets mis.

Wat is er gebeurd? Waar is de herkenning van wijsheid en geest gebleven? Waar zijn de christen mannen gebleven die ooit daaraan herkenbaar waren?

Ze moeten er wel zijn en geweest zijn. Onze christelijke kerk bestaat tot op vandaag. Voor mij is dat ondenkbaar zonder dat er mannen in geest en geloof zich voor hebben ingezet. Maar ik kan ze in de vroege christelijke kerk slecht vinden. Ik weet vast te weinig. Wat ik wel weet:

In de eerstvolgende generaties krijg je opmerkelijke ontwikkeling van de woestijnvaders. De christenmannen die zich terugtrekken uit de samenleving en daar gezocht worden door medechristenen.

In de gemeenten zelf verschuift de leiding van de groepen oudsten naar de enkelingen als vooraanstaande leiders bisschoppen. In de leidinggevende rol van de steden over de dorpen gaan ook de leiders delen: de hoofdbisschoppen, de patriarchen in de hoofdsteden en de priesters op het platteland, diakenen behulpzaam bij de liturgie en de oudsten nog iets om de formaliteit.

Maar gewone gelovige jongens, vaders van gezinnen? De meesten van ons soort mannen zijn anoniem gebleven. Mannen werden voor het overgrote deel opgebruikt voor dienst aan de machtigen, we waren lijfeigenen, horigen, pachters in de agrarische wereld, sjouwers en schepelingen in de handel, slaven op plantages, manschappen en slachtoffers in de vele oorlogen, loonslaven en lopende bandwerkers, ..

Vele eeuwen van mannelijke leiding leverden schokkende verhalen over spanningen, gevechten om gekwetste eer. In die traditie sta ik als christen man. Maar ik schaam mij er ook voor. Ik durf mij er niet op beroepen, zoals ik nu in een kerkelijk opinieblad lees, dat we als GKv breken met 2000 jaar mannelijke leiding in Gods kerk.

Mannelijke leiding kreeg in elk land en elke natie z’n eigen gezicht in kerkvorsten van allerlei kleur.

kardinalen

De leiding in de kerk verschoof naar die mannen die aan het geknechte leven konden/mochten ontsnappen In het priesterschap, in de kloosters. Met verplichting van het celibaat. Als man aan de leiding juist door je man-zijn te ontkennen. En vervolgens uit frustratie tot de gekste ontaarding komen. Castraten voor de kerkmuziek, Pausen met hele harems, tot in onze tijd de schandalen van kindermisbruik.

Toch, en toch. Er moeten er onder hen ook echte christen mannen geweest zijn. Van onschatbare waarde. Ik denk aan de missionarissen vanuit de Iers-Angelsaksische kloosters. Ik denk aan de continuïteit van catechese, van onderwijs en studie en liturgie.

Blijvende veranderingen zie ik in de 13e tot 15e eeuw op gang komen. De ontwikkeling van mannen vanuit ambacht, kooplui en burgerij. Lezen en schrijven, boekdrukkunst. Daar zie ik ook weer gelovige jongens in beeld komen. Mannen van gezinnen. De saai-wevers rond Hondschoote en Nieuwkerke in het Vlaamse Westerkwartier, waar onze Nederlandse gereformeerde wortels liggen. De hugenoten in Frankrijk, de Zwitserse gereformeerden, de Duitse vormgevers van hun Reformatie. Prachtige herstart.

Wat is daar in onze Zeven Provinciën van terecht gekomen? De hervormingsbeweging was ook hier veelbelovend. Maar ze kreeg een moeizaam vervolg in Holland koopmansland. Een teleurstellend verloop: kooplui, reders, regenten en dominees maakten de dienst uit. Gewone christen mannen telden nauwelijks. Ja, bij herstelbewegingen komen weer christen mannen in beeld. Maar daarvóór lag de leiding in stad en dorp bij de dominee, dokter en notaris.

Nog maar sinds anderhalve eeuw is daar echt verandering in gekomen. Wij mannen zijn meer geschoold, vrijer en mondiger geworden. En moeders, meisjes en vrouwen hebben daarbij hun beslissende rol gespeeld. Zonder hen zouden wij niet zijn wie we nu zijn.

Dat is trouwens altijd al zo geweest. Ook al 2000 jaar. Tijd om daar eens eerlijke en echte erkenning voor te geven.

4.      Vrouwen leren zorgen voor zichzelf

Ze waren erbij, de vrouwen. Bij die 120 leerlingen in hun vertrouwde bovenvertrek. Lucas noemt ze nadrukkelijk. Vermeldt verder alleen de naam van Maria, de moeder van Jezus. Maar uit zijn eerste boek kunnen we een hele lijst aanvullen. Lucas vertelt ook wat ze samen met de mannen doen: “14Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed”. De vrouwen hebben mee gebeden en meegedacht over de opvulling van de lege apostelplek. Of vergis ik mij daarin? Deden alleen de mannen daaraan mee? Ik vind het bijzonder hoe dat in onze vertalingen wordt weergegeven. Dat zegt veel over onze kijk op onze man – vrouw verhoudingen.

In de Statenvertaling heten ze allemaal ‘discipelen’, samen een groep ‘personen’. De NBG 1951 vervangt ‘discipelen’ door ‘broeders’, maar de NBV 2004 gaat weer terug naar ‘leerlingen’

Een groep personen inclusief vrouwen dus. Petrus spreekt de groep aan met ‘mannen broeders’, volgens Statenvertaling en NBG 1951. De Herziene Statenvertaling maakt daar één woord ‘mannenbroeders’ van. Dit wordt sinds de NBV 2004 anders: ‘broeders en zusters’. Ook de vrouwen zusters worden aangesproken. De vertalers hebben er uiteraard hun redenen voor aangevoerd. Het is vergelijkbaar met een leerkracht die zijn klas begroet met ‘Hallo jongens!’ en daarbij ook de meisjes bedoelt. Dat begrijpen ze allemaal. Inclusief taalgebruik heet dat. Volgens de NBV vertalers gaat dat in veel gevallen ook op voor de aanspraak ‘(mannen) broeders’.

Wat ik nu zo bijzonder vind is hoe de vertaling ons bewust maakt van wat we bij het lezen altijd al deden. De Bijbeltekst is hetzelfde gebleven. Maar wij lezen anders en wij vinden het belangrijk dat nu te benoemen. In de aanspraak ‘mannen broeders’ worden de vrouwen ook bedoeld. In de situatie van Handelingen 1 lijkt dat voor mij logisch.

Net zo goed als later in de situatie van het omkijken naar hulp voor de overbezette apostelen in Handelingen 6. De gemeente wordt ingeschakeld om uit hun eigen midden mannen te kiezen ‘die goed bekendstaan’.

apostelconvent mann vrouww

Alle (!) aanwezigen stemmen in met het voorstel en ze kiezen mannen en stellen die voor aan de apostelen. Dat samen mogen rond kijken staat voor een proces waaraan de apostelen hun vertrouwen geven. In de gemeente zijn ook de zusters in staat om te beoordelen wie goed bekend staan, wijs zijn en vol van de Heilige Geest. En dat mogen ze hardop zeggen.

Wat blijft er van dat vertrouwen in vrouwen over in latere generaties?

De kerkleiding komt al snel steeds meer te liggen bij enkelingen. En dat zijn alleen mannen, in het Westen na verloop van tijd zelfs alleen ongetrouwde mannen. Een pyramide van hiërarchie ontstaat, totdat er aan de top een aartsbisschop, een paus, een archimandriet regeert over de kerk. Bij de aanstelling van een bisschop blijft het gewoonte om de instemming van de gemeente te vragen, maar dat heeft meer liturgische waarde. Niet nodig om vrouwen echt mee te laten denken. Dat krijgt langzaamaan de betekenis dat vrouwen ook niet mogen meespreken. De Bijbel blijft hetzelfde maar het gedrag van de christenen verandert. En ze filteren de Bijbelse boodschap naar hun eigen lokale kleur.

Waar zijn christen vrouwen al die eeuwen door gebleven? Ze moeten er zijn geweest. Het voortbestaan van de kerk is zonder hen ondenkbaar. En gelukkig: naast de verhalen over gelovige mannen zijn ook steeds verhalen doorgegeven over christen vrouwen. Hun levensverhalen zijn vervormd door bewondering en bijgeloof. Maar toch blijkt zelfs daaruit dat hun levens zeker voor latere generaties vrouwen betekenis had (en voor mannen ook!).

In de Westelijke kerk zie je telkens nieuwe kloosterorden. In veel gevallen duikt naast de man-stichter ook een vrouw-geestverwante op. Zij gaat parallel kloostergemeenschappen stichten voor vrouwen. Grote vrouwenordes betekenen ongelooflijk veel voor zorg, scholing en spiritualiteit.

In de 14e eeuw kwam er in Noord Frankrijk en Vlaanderen een lekenbeweging van vrouwen op gang, in lijn met de Broeders des Gemenen Levens. Ze zochten geestelijke leiding van o.a. kapelaan Jan van Ruusbroec (uit zijn boeken heb ik veel geleerd en dat geef ik graag door). Met dat vrouwen meegroeiden in scholing en ontwikkeling werden ze ook van betekenis voor de beweging waarop de Reformatie tot bloei kon komen. Reformatoren als Luther, Bucer, Datheen en Calvijn hebben veel met vrouwen geschreven en gepraat. Door hun steun, meeleven bidden en denken zijn ze geworden tot wie ze nu voor ons nog zijn.

Vrouwen gingen dus voor elkaar zorgen. En dat ging in onze Zeven Provinciën niet anders, en evengoed in het Nederland van de 19e eeuw. Christen vrouwen zetten zich in om misstanden aan te pakken. Maar los van de kerkleiding.

Pas in de 20e eeuw wordt in de onze Gereformeerde Kerken over de spreek- en stemrechten van vrouwen in de gemeenten nagedacht. De oorzaak is duidelijk. Het burgerlijk kiesrecht voor vrouwen krijgt na een eeuw sociale en politieke strijd eindelijk erkenning. In 1919, kort na de toekenning van het algemeen kiesrecht aan mannen. Binnen enkele jaren ligt er een voorstel op onze synodetafel om ook vrouwen het kiesrecht in de kerk te geven.

De synode Arnhem 1934 kiest voor de optie dat stemmen een vorm van mee regeren is en dat dat vrouwen niet past. “als naar Gods Woord zou vast staan, dat aan alle geloovigen als zoodanig het stemrecht toekomt. (..) daaruit zou dan ook volgen dat de vrouw in elk opzicht een gelijke plaats in de kerk moest innemen als de man. (..) de roeping der vrouw is naar de scheppingsordinantie eene hulpe te zijn voor den man. (..) De vrouw schuilt a.h.w. achter den man. (..) Zij is de heerlijkheid des mans. (..) Zij mist dientengevolge eene zelfstandige, op den voorgrond tredende positie en roeping.”.

Op dat moment is ook maatschappelijke gezagsuitoefening in huwelijk en gezin nog volledig in handen van de man. Zelfs als een huisvrouw buitenshuis iets cultureels wil gaan doen, op een koor of in de kunst, blijft ze onder het gezag van haar man staan. Zegt het Handboek over Gods Ordinantiën.

Een halve eeuw na de GS Arnhem 1934 ontstaat er binnen de GKv geestelijke ruimte om het bezinningsproces over stemrecht van vrouwen te herhalen. Besluitvorming kost opnieuw de duur van twee synodes. Maar anders dan in 1934 op grond van Schrift en belijdenis uitgesproken werd, heet stemmen niet meer meeregeren maar helpen aanwijzen. De synode van Ommen 1993 stelt nog dat het besluit ‘geen opstap is naar openstelling van ambten voor vrouwen’. Door het besluit dit jaar van onze synode is deze kerkelijke uitspraak een krachteloze bezwering gebleken.

De Bijbelteksten zijn hetzelfde gebleven, maar ons gedrag is veranderd.

In de maatschappelijke heropbouw van na WW II begint de positie van vrouwen duidelijk te veranderen. In de jaren 50 krijgen ze recht op eigen zelfstandige beslissingen. Gereformeerde voorlichting over gezinsleven volgt intussen met de hakken in het zand de maatschappelijke ontwikkelingen. Voorlichters tot in de vrouwen- en meisjesbond zijn bijna uitsluitend mannelijk…

Maar het gewone gezin gaat haar eigen gang, in kinderaantal, gebruik van voorbehoedsmiddelen, herziene rolverdeling, ouderschapsverlof, gebruik maken van relatietherapie en inschakelen van maatschappelijk werk, vakantiebesteding, teevee in huis, scholing en beroepskeus voor de dochters. Allemaal vanaf de jaren 70. Een onomkeerbaar proces.

Als resultaat van deze ontwikkeling zie ik vooral kansen liggen. Als de vrouwen hebben leren zorgen voor zichzelf, en ze meer en meer zorg geven in onze gemeente, geeft dat hoop voor goed partnerschap. Zijn wij mannen daarvoor in?

emancipatie loesje

Of zijn wij liever weg als de vrouwen komen? Laten we de zorg voor Gods gezin liever aan hen over, en straks ook de leiding? Sommigen zijn bang voor ‘feminisering’. Angst is een slechte raadgever, toch? Ik wil graag anders denken.

5.      Omdenken naar kansen en kracht

Luther leerde compleet anders denken over zijn verhouding tot de Rechtvaardige. Hij dacht eerst dat hijzelf aan Gods eisen moest voldoen en voelde zich daar onmachtig ongelukkig bij. Toen ontdekte hij dat God heel anders wil kijken naar ons. Hij verklaart zondige mensen rechtvaardig, zomaar, uit genade. In plaats van ons te overvragen tot de dood erop volgt, geeft hij leven uit liefde voor eeuwig.

Dat mag je gewoon geloven.

Gewoon. De actie daarin heet tegenwoordig ‘omdenken’. Van een ‘ja-maar’ mens veranderen in een ‘ja-en’. De ja-maar houding bedenkt wat er zou moeten zijn, maar er niet is. De ja-en houding ziet wat er is en wat je er mee zou kunnen. Geestelijke omschakeling, die uit een andere instelling wordt geboren. Bijbels gezien is omdenken dus een variant van bekering, vrucht van hergeboorte.

In de man-vrouw verhouding doet Paulus dat voor. Je kunt zijn voorschriften over gedrag van vrouwen en mannen lezen als vrijheid beperkend. Je kunt ze ook lezen als beloften, als kansen voor meer van de Geest. Kwestie van omdenken.

Duidelijk blijkt dat in Efeziërs 5, 21. “(…) en wees elkaar onderdanig”. Je kunt dat lezen als inleiding op wetgeving voor het huwelijk. De vrouw krijgt dan in de volgende zin haar plaats gewezen. Zij moet als eerste weten dat ze gehoorzaam moet zijn en zich onderwerpen aan het gezag van de man. Dan krijgt de man nog mee dat hij natuurlijk wel houden moet van zijn vrouw en lief en geduldig zijn. Maar voorop staat toch zijn gezagspositie als hoofd en haar onderdanigheid. Die manier van lezen kon een eeuw geleden nog. De bestaande verhoudingen bevestigd zien onder het Bijbellezen. Dat gaat niet meer.

Je kunt ook omdenken. Teruggrijpen op 5,18 “wordt vervuld met de Geest”. Met zijn Geest komt Christus inwonen. Daar wordt je blij van! Zingend de dag door. God danken onder alles en … en wat kan ik daarmee? Christus ook in de ander zien! Hoe mooi kan het samenleven dan zijn.

Wat Paulus doet is Christus binnen brengen. Mannen en vrouwen gaan anders naar elkaar kijken en hun houding verandert. Ze gaan zingend door het leven met dat sterke lied “Ik wil jou van harte dienen en als Christus voor je zijn. Geef dat ik genade vind dat jij het ook voor mij kunt zijn.” Dat is een belofte die kansen geeft op liefdevol respect in plaats van een kritische ontevredenheid, en in plaats van macht en staan op je strepen ontwikkel je overgave en de ander mooi willen maken. “Met mijn lieverd heb ik Christus in huis! En ik hou van haar omdat zij Jezus’ geliefde is!”

Als Paulus over de vrouwen en de mannen schrijft wil ik vertrouwen dat hij het op die manier bedoelt. Hij voorkomt dat vrouwen zichzelf lelijk maken door verbaal en non verbaal mannen te vernederen, hij voorkomt dat mannen misbruikers worden door agressie en eerzucht.

Dat voorkomen werkt verrassend omdat de Vader met Christus door hun Geest zichzelf aan het afbeelden zijn in mensen en hun relaties. Dat ga ik dieper uitleggen.

6.      Met God naar man – vrouw – meer

Ik wil terug naar veilige liefde als een thuis waar verbinding is, er verschillen mogen zijn, maar waar geliefden elkaar zoeken en vinden.

Die veiligheid zoek ik in het houden van elkaar zoals Vader Zoon en Geest van elkaar houden. Op z’n oud-christelijks ga ik vanuit het Nieuwe naar het Oude Testament, en daarna terug naar nu. Ik vind in de Bijbel hoe we in het begin bedacht zijn. “Laat ons mensen maken die op ons lijken” overlegt God hardop in zichzelf. Vader, Zoon en Geest hebben het met elkaar over ons gehad.

Dat wordt het begin van man en vrouw. Uit Gods liefde zijn wij mensen geboren om voor God spiegel van zijn liefde te zijn. Dat gebeurt als Adam voor het eerst Eva ziet.

Gods verlangen naar mensen weerspiegelt zich in de vruchtbaarheid van mensen. Hij wil steeds meer van ons soort. Daarvoor geeft Hij bij de start al zijn zegen mee. Als Woord dat in de ontvangers leven wekt en door beademing met zijn Geest mannen met vrouwen schept tot gezinnen. Vader, Zoon en Geest schiepen ons uit liefde en dat mag mensen samen vruchtbaar maken voor volgende generaties. Na de vernietigende inslag van kwaad, schuld en dood mochten de eerste twee mensen opnieuw vruchtbaar zijn. Genade herstelt de schepping.

God is niet voor ons op slot gegaan. Wat Vader, Zoon en Geest voor elkaar voelen houden ze open naar ons. Ze willen hun warmte om ons heen slaan. Ik vind die thuiswarmte als Jezus stralend staat te lachen naar zijn Vader, als hij met zijn Vader over ons praat, als Vader bij de rivier en op de berg roept “dit is mijn Zoon, luister naar hem”. Ik merk het als Jezus, net tot nieuw leven gekomen, de Geest van zijn Vader over ons heen blaast en een nieuwe schepping met ons begint.

Als ik in de ogen durf kijken van iemand die onvoorwaardelijk van mij houdt, ondanks alles, verlies ik mezelf en voel ik tegelijk dieper dan ooit wie ik ben. Dat is mijn diepste ervaring van thuis. En van het thuis dat Vader, Zoon en Geest voor me zijn.

7.      Het oude geheim over Christus’ huwelijk wordt vandaag onthuld

Mijn zevende stap leer ik opnieuw zetten met Paulus. In datzelfde gedeelte over het huwelijk, in Efeziërs 5. Paulus ziet een diep geheim in de huwelijksrelatie van twee christenen. Dat mysterie beschrijft hij met zinnen uit het Paradijsverhaal. “31‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één lichaam zijn.’ 32Dit mysterie is groot – en ik betrek het op Christus en de kerk.” Paulus opent het geheim, begrijp ik. Tegelijk wijst hij de weg om de verdere onthulling te gaan ontdekken. Als vrouw en man Christus’ liefde aan elkaar voorleven. Daarmee zegt hij iets over het huwelijk en tegelijk ook over onze verhouding als kerk met Christus.

In de vieringen met brood en wijn mogen we met al onze zintuigen ontvangen “dat wij door de Heilige Geest, die tegelijk in Christus en in ons woont, steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd worden, en wel zo, dat wij, hoewel Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn; en ook zo, dat wij door één Geest eeuwig leven en geregeerd worden, zoals de leden van het lichaam door één ziel.” Heidelbergse Catechismus antwoord 76.

Met Paulus’ mysterie in op de achtergrond, vind ik dit een diep liefdesgedicht. Prachtig hoe Caspar Olevianus, zo jong als hij was als leerling van Calvijn, dit heeft verwoord. Dit is gereformeerde avondmaalsmystiek. Daarin vind ik onze identiteit als christenen, als erfgenamen van de Reformatie. En ook hernieuwde inspiratie voor de GKv nu.

Kun je een stel, dat uit elkaar groeit, terughalen naar veiligheid bij elkaar? Ja, als ze in zichzelf hun oud verlangen opnieuw herkennen. Wanneer ze behoefte aan elkaar durven omarmen.

Die benadering zoek ik voor onze kerkgemeenschap.

Mannen en vrouwen kunnen niet zonder elkaar in de kerk. Samen zoeken we naar de zorg voor Gods gezin. Samen verantwoordelijk, ook onmachtig, en in gebed kracht vinden. Van elkaar houden omdat alleen liefde vruchtbaar is voor wie er nog meer bijkomen in het gezin van God. We blijven man en we blijven vrouw met alles wat ons mooi en eigen is. En voorlopig ook nog wat ons lelijk maakt. Maar we gaan voor nieuw, nieuwe mensen die we in Christus zijn. Discussies loslaten, die voortdurend de onenigheid weer opstoken. Angst, vijandigheid, wantrouwen, onzekerheid en gekwetstheid niet uitvergroten door onnodige aandacht te geven.

Met Gods hulp vinden we ruimte om te zien wat we echt al samen hebben en doen. Dat kunnen we opnieuw waarderen of misschien voor het eerst. Ik zie dat in de praktijk van geloofsonderwijs, geestelijke leiding, hulpverlening, aanbidding en geloofslied, en geloof uitstralen. Ik blijf dus bij wat wij belijden in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 30 over de betekenis van geestelijke leiding en goede zorg. Bij het noemen van de diverse dienaren vul ik voor mezelf aan ‘m/v’. Dat mag nu. Als we het kunnen opbrengen om dat te erkennen, kunnen we de zorg voor onze nieuwgeborenen en opnieuw geborenen samen doen.

man vrouw (2)

Als mannen en vrouwen samen houden van mensen op alle niveaus en in alle verbanden. Dat is als gemeenschap beeld van God worden. Liefde aan Vader, Zoon en Geest terug spiegelen.

 

Peter H. van der Laan – Hardinxveld Giessendam, 25 januari 2017.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s